
frans leren
Quiz by stephany walschots
Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
hallo
goedenavond
hoi / doei
goedenacht
tot ziensÂ
tot later
prettige dag nog
tot morgen
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
januari
februari
maart
april
mei
juni
juli
augustus
september
oktober
november
december
mijn (beste) vriend
mijn (beste) vriendin
mijn vriend
mijn vriendin
mijn familie
een vader
een moeder
een zus
een broer
een tweelingbroer
een tweelingzus
een opa
een oma
de grootouders
de ouders
de tante
de oom
de nicht
de neef
mijn hobby
lezen
winkelen
zingen
zwemmen
toneelspelen
gamen
Netflix kijken
klussen / knutselen / DIY
vrienden zien
muziek maken
muziek luisteren
ik heb geen hobby
een huis
een boederijÂ
een kasteel
een flatgebouw
een appartement
een stad
een dorp
op het platteland
klein
groot
de wc
de woonkamer
de keuken
de eetkamer
de badkamer
de slaapkamer
de zolder
de tuin
het bed
de kast
de stoel
de fauteuilÂ
de bank
het bureau
de tafel
de laptop
de tv
rood
geel
blauw
groen
roze
oranje
paars
bruin
zwart
wit
grijs
het uur
de klok
het horloge
het ... uur
om ... uur
het is kwart over
het is half ...
het is kwart voor ...
het is 12 uur 's middags
het is 12 uur 's nachts
het is half 1 's middags
deze ochtend
deze middag / vanmiddag
deze avond
nu
vandaag
morgen
gisteren
de dag
volgende week
vorige week
frans
nederlands
engels
duits
wiskunde
muziek
aardijkskunde
geschiedenis
LO
scheikunde
natuurkunde
biologie
tekenen
het huiswerk
de rugzak
in mijn rugzak zit ...
een pen
een potlood
een laptop
een schrift
een boek
een etui
de les
nul
een
twee
drie
vier
vijf
zes
zeven
acht
negen
tien
elf
twaalf
dertienÂ
viertien
vijftien
zestien
zeventien
negentien
twintig
dertig
eenedertig
veertig
eeneveertig
vijftig
eenevijftigÂ
zestig
een hond
een kat
een paard
een konijn
een hamster
een goudvis
een vogel
een cavia
een schildpad
een muis
ik heb geen dier
ik ga op de fiets naar school
ik ga met de bus naar school
ik ga met de auto naar school
ik ga te voet naar school
de school begint om half negen
ik vertrek om 8 uur naar school
ik heb een goede cijfer voor Engels
ik heb geen slechte cjifer voor biologie
ik ben goed in muziek
ik ben slecht in wiskunde
ik maak mijn huiswerk
ik heb huiswerk voor Nederlands
mijn lievelingsvak is aardrijkskunde
dat is makkelijk
dat is moeilijk
Ik heet ...
hij heet ...
Zij heet ...
Dit is ...
Ik ben ... jaar
zij is ... jaar
ik woon in ...
ik woon in Nederland
ik ben nederlands
ik woon in belgië
ik ben belgisch
ik wwon in Duitsland
ik ben Duits
Ik woon in Spanje
Ik ben spaansÂ
ik houd van/ vind leuk ...
ik houd niet van ...
ik ben dol op ...
ik ben niet dol op ...Â
ik heb een hekel aan ...
ik heb geen hekel aan ...
mijn verjaardag is op ...
zijn/haar verjaardag is op ...
ik ben begonnen met sporten met 8 jaar
ik sport 1 keer in de week, op maandag
mijn levelings sport is tennis
en
met
keer
hier
op
in
waar
ook
maar
er is, er zijn, er staat
dit is, dat is
dit zijn (meervoud)
hoe
ik ben
Jij bentÂ
Hij is
Zij is
men is
Wij zijn
Jullie zijn / U bent
zij (meervoud) zijn
ik hebÂ
jij hebt
hij heeft
zij heeft
men heeft
wij hebben
Jullie hebben / U heeft
zij (meervoud) hebben
Ik doe / maak
Jij doet / maakt
Hij doet / maaktÂ
Zij doet / maakt
Men doet / maakt
Wij doen / maken
Jullie doen / maken
U doet / maakt
Zij (mv) doen / maken
Zij (mv) doen / maken
wonen
spelen
herhalen
spreken
helpen
kijken (naar)
zingen
beginnen
houden van
dol zijn op
niet leuk vinden
eten
wakker worden
opstaan
zich wassen
tanden poetsen
zich aankleden
gaan slapen
een douche nemen
ontbijten
huiswerk maken
Ik ga naar school
Ik ga weer naar huis