
Verleden tijd
Quiz by Neerlandica
Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
De storm [verwoesten] ons tuinhuisje.Â
Het team [landen] gisteren pas laat op Schiphol.
Dekinderen lachten toen hij weer eens [morsen].Â
Ik [vermoeden] dat al.
Wij vermoedden dat de verzekering het [vergoeden]
Hoe lang [branden] die kaarsen?
Mijn auto [starten] vanmorgen niet.
Wij [melden] ons al vroeg.
Mijn moeder [hechten] veel waarde aan die lepels.
De meisjes [staren] me al een tijdje aan.
Waar [bestellen] die taart?
Hij [verbazen] er zich niet over.
Het gastenverblijf [zijn] vervuild door grote ratten.
De koks [braden] vlees voor de kerstviering.
Het vlees [verbranden] door het gebrek aan toezicht.