Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
Give this quiz to my class
Q 1/96
Score 0
Wind die van de zee naar het land waait. Heet ook zeewind.
30
aanlandige wind
Q 2/96
Score 0
Wind die van het land naar de zee waait. Heet ook landwind.
30
aflandige wind
96 questions
Q.
Wind die van de zee naar het land waait. Heet ook zeewind.
1
30 sec
Q.
Wind die van het land naar de zee waait. Heet ook landwind.
2
30 sec
Q.
Neerslag die zich als stromend water verzamelt in beekjes, meren en rivieren en zo uiteindelijk in de zee terecht komt.
3
30 sec
Q.
Instrument om de luchtdruk te meten.
4
30 sec
Q.
Het overgaan van water (vloeibare fase) in ijs (vaste fase).
5
30 sec
Q.
Het percentage van de hemel dat met wolken is bedekt.
6
30 sec
Q.
De afstand van een plaats tot de evenaar weergegeven in breedtegraden.
7
30 sec
Q.
Gassen in de atmosfeer (dampkring) die warmte vasthouden, zoals koolstofdioxide (CO2) en methaan (CH4).
8
30 sec
Q.
Het overgaan van waterdamp (gasfase) in water (vloeibare fase).
9
30 sec
Q.
Een lagedrukgebied rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. waarbij een warmtefront en een koufront voor neerslag zorgen. Heet ook een frontale depressie.
10
30 sec
Q.
Lucht die weinig waterdamp bevat.
11
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij minder dan ongeveer 300 mm neerslag valt per jaar. Hier horen het woestijnklimaat en het steppeklimaat bij.
12
30 sec
Q.
Zo met producten omgaan dat je weinig of geen schade toebrengt aan de leefomgeving (van onszelf en van toekomstige generaties).
13
30 sec
Q.
Producten maken op een manier die weinig of geen schade toebrengt aan de leefomgeving (van onszelf en van toekomstige generaties).
14
30 sec
Q.
Bij alles wat we doen ervoor zorgen dat we weinig of geen schade toebrengen aan de leefomgeving (van onszelf en van toekomstige generaties).
15
30 sec
Q.
De ruimte die we per persoon innemen op aarde, weergegeven in hectare. Het is een maat voor de duurzaamheid van een land en zijn inwoners.
16
30 sec
Q.
Veeteelt met weinig dieren op veel grond.
17
30 sec
Q.
Neerslag die ontstaat bij een warmtefront en een koufront, waar warme lucht en koude lucht botsen.
18
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de warmste maand warmer is dan 10°C, waarbij het in de koudste maand kouder is dan -3°C en waarbij er voldoende neerslag valt in alle maanden.
19
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer is dan -3°C en kouder is dan 18°C, en waarbij er voldoende neerslag valt in alle maanden.
20
30 sec
Q.
Het soort oppervlak dat de zon verwarmt, bijvoorbeeld water of land.
21
30 sec
Q.
Een gewas dat geteeld wordt voor de handel.
22
30 sec
Q.
Het opnieuw gebruiken van spullen (tweedehands spullen) of het verwerken van afval tot een nieuw product. Heet ook recyclen.
23
30 sec
Q.
Een gebied met een hogere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook maximum.
24
30 sec
Q.
Een zone met een hoge luchtdruk die op de hele aarde rond een bepaalde breedtegraad voorkomt.
25
30 sec
Q.
Een klimaat dat voorkomt in hooggebergten en waarbij het in alle maanden kouder is dan 0°C.
26
30 sec
Q.
Ligging van een plek ten opzichte van zeeniveau, aangegeven in meters.
27
30 sec
Q.
Het in de bodem naar het grondwater wegzakken van neerslag.
28
30 sec
Q.
Landbouw waarbij veel kapitaal en kennis wordt gebruikt om een hoge opbrengst per hectare te behalen.
29
30 sec
Q.
Veeteelt met veel dieren op weinig grond.
30
30 sec
Q.
Het opbrengen van water op landbouwgronden door te sproeien, of het aanvoeren van water naar landbouwgronden via kanaaltjes en sloten.
31
30 sec
Q.
Een lijn die plaatsen met gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.
32
30 sec
Q.
Een lijn die plaatsen met gelijke temperatuur met elkaar verbindt.
33
30 sec
Q.
Het gemiddelde weer over een langere periode (30 tot 40 jaar) in een bepaald gebied.
34
30 sec
Q.
De factoren die het klimaat in een gebied bepalen. Het zijn: de breedteligging, de hoogteligging (reliëf), de gesteldheid van het aardoppervlak, afstand tot de zee en de aanvoer van warmte, koude of vochtigheid van elders door wereldwijde wind- en oceaanstromen.
35
30 sec
Q.
Het onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties in 1992 wereldwijd afgesloten verdrag dat als doel heeft om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.
36
30 sec
Q.
Gebied met een lagere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook minimum.
37
30 sec
Q.
Een zone met een lage luchtdruk die op de hele aarde rond een bepaalde breedtegraad voorkomt.
38
30 sec
Q.
Een klimaat met een warme of hete zomer en een koude winter. Hier horen het gematigd landklimaat en het landklimaat met een droge winter bij.
39
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de warmste maand warmer is dan 10 °C, waarbij het in de koudste maand kouder is dan -3°C en waarbij de winter een droog seizoen is.
40
30 sec
Q.
Wind die van het land naar de zee waait. Heet ook aflandige wind.
41
30 sec
Q.
De kant van het gebergte waar bijna nooit de wind vandaan komt, waar de lucht daalt en opwarmt, waardoor er bijna geen neerslag valt. Dit gebied ligt in de regenschaduw.
42
30 sec
Q.
De kant van het gebergte waar bijna altijd de wind vandaan komt, waar de lucht omhoog wordt gestuwd en afkoelt, waardoor er vaak neerslag valt.
43
30 sec
Q.
De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op een oppervlak uitoefent.
44
30 sec
Q.
Een zone met een hoge of lage luchtdruk die op de hele aarde rond een bepaalde breedtegraad voorkomt.
45
30 sec
Q.
De hoeveelheid waterdamp die lucht bevat.
46
30 sec
Q.
Een gebied met een hogere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook hogedrukgebied.
47
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer os dan -3°C en kouder is dan 18°C, en waarbij de zomer een droog seizoen is. Heet ook Middellandse Zeeklimaat.
48
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer os dan -3°C en kouder is dan 18°C, en waarbij de zomer een droog seizoen is. Heet ook mediterraan klimaat.
49
30 sec
Q.
Gebied met een lagere luchtdruk dan de omgeving. Heet ook lagedrukgebied.
50
30 sec
Q.
Lucht die veel waterdamp bevat. Heet ook vochtige lucht.
51
30 sec
Q.
Het vasthouden van warmte door broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor de aarde leefbaar is.
52
30 sec
Q.
Water dat in vaste of vloeibare vorm op de aarde neerslaat (zoals regen, sneeuw en hagel).
53
30 sec
Q.
De hoeveelheid neerslag per tijdseenheid, bijvoorbeeld per uur of per dag.
54
30 sec
Q.
De verdeling van de neerslag in een gebied.
55
30 sec
Q.
Het verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de verdamping in een gebied.
56
30 sec
Q.
Tijdelijke, extra grote waterafvoer in beken, rivieren en/of riolen.
57
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de warmste maand altijd kouder is dan 10°C. Hierbij horen het ijs- en sneeuwklimaat en het toendraklimaat.
58
30 sec
Q.
Het opnieuw gebruiken van spullen (tweedehands spullen) of het verwerken van afval tot een nieuw product. Heet ook hergebruiken.
59
30 sec
Q.
Gebied aan de lijzijde van een gebergte, waar bijna geen neerslag valt.
60
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het altijd warmer is dan 18 °C en waarbij er in een seizoen/periode geen neerslag valt.
61
30 sec
Q.
Een maat voor de windkracht, aangegeven in Beaufort (Bft), die loopt van 0 (windstil) tot en met 12 (orkaankracht).
62
30 sec
Q.
Een maat voor de temperatuur, aangegeven in °C en gebaseerd op het vriespunt (0°C) en het kookpunt ( 100°C) van water.
63
30 sec
Q.
Het overgaan van ijs (vaste fase) naar water (vloeibare fase).
64
30 sec
Q.
Een klimaat dat voorkomt in de poolgebieden en waarbij het in alle maanden kouder is dan 0°C.
65
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij er ongeveer tussen de 150 en 300 mm neerslag per jaar valt. Het steppeklimaat kan warm of koud zijn.
66
30 sec
Q.
Neerslag die ontstaat in gebieden waar (vochtige) lucht door het aardoppervlak wordt opgewarmd, opstijgt en hoger in de atmosfeer afkoelt.
67
30 sec
Q.
Neerslag die ontstaat bij gebergten waar (vochtige) lucht omhooggestuwd wordt en afkoelt.
68
30 sec
Q.
Een maat voor de kou of de warmte op een bepaald moment, in Europa aangegeven in de Schaal van Celsius.
69
30 sec
Q.
Instrument om de temperatuur te meten, in Europa volgens de Schaal van Celsius.
70
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de warmste maand warmer is dan 0°C en kouder dan 10°C.
71
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het altijd warmer is dan 18°C. Hierbij horen het tropisch regenwoudklimaat en het savanneklimaat.
72
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het altijd warmer is dan 18°C en waarbij er voldoende neerslag valt in alle maanden.
73
30 sec
Q.
Ultraviolette straling, een onderdeel van zonlicht (zonnestraling).
74
30 sec
Q.
Het overgaan van water (vloeibare fase) in waterdamp (gasfase).
75
30 sec
Q.
Het droger worden van de bodem door het dalen van de grondwaterspiegel.
76
30 sec
Q.
Het toenemen van de concentratie van broeikasgassen (bijvoorbeeld koolstofdioxide) onder invloed van de mens waardoor de atmosfeer steeds meer warmte vasthoudt. De gemiddelde temperatuur op aarde wordt hierdoor steeds hoger.
77
30 sec
Q.
Uitbreiding van de woestijn in een gebied, vooral door verdroging en erosie.
78
30 sec
Q.
De toename van het zoutgehalte in de bodem.
79
30 sec
Q.
Lucht die veel waterdamp bevat. Heet ook natte lucht.
80
30 sec
Q.
Een gewas dat geteeld wordt voor consumptie binnen het eigen land.
81
30 sec
Q.
De nuttige neerslag in een jaar, berekend over een langjarig gemiddelde, voor een bepaald gebied (vergelijkbaar met het klimaat).
82
30 sec
Q.
Het voortdurend afwisselen van de drie fasen van water in een kringloop.
83
30 sec
Q.
De toestand van de atmosfeer (dampkring) op een bepaald moment in een bepaald gebied.
84
30 sec
Q.
Door de draaiing van de aarde krijgt de wind, die waait van een hoge drukgebied naar een lagedrukgebied, een afwijking. Buys Ballot heeft hiervoor een wet bedacht die luidt: als je met je rug naar het hogedrukgebied staat, dan heeft de wind op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.
85
30 sec
Q.
Het bewegen van lucht in de atmosfeer door verschillen in luchtdruk.
86
30 sec
Q.
De kracht van de wind uitgedrukt in eenheden van de Schaal van Beaufort.
87
30 sec
Q.
De kompasrichting waar de wind vandaan komt.
88
30 sec
Q.
Een diagram waarin de windrichtingen zijn aangegeven.
89
30 sec
Q.
De snelheid van de wind in m/s of km/u, gemeten met een windmeter (anemometer).
90
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij er minder dan ongeveer 100 tot 150 mm neerslag per jaar valt. Het woestijnklimaat kan warm of koud zijn.
91
30 sec
Q.
Een klimaat waarbij het in de koudste maand warmer is dan -3 °C en kouder dan 18 °C. Hierbij horen het gematigd zeeklimaat en het Middellandse Zeeklimaat.
92
30 sec
Q.
Het stijgen van de gemiddelde zeespiegel door het uitzetten van het oceaan- en zeewater en het versnelde afsmelten van land- en gletsjerijs.
93
30 sec
Q.
Wind die van zee naar het land waait. Heet ook aanlandige wind.
94
30 sec
Q.
De hoek die een bundel invallende zonnestralen maakt met het aardoppervlak. Als de zon loodrecht boven je staat, is de zoninvalshoek 90°.
95
30 sec
Q.
De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid uv-straling in het zonlicht die de aarde bereikt en heeft een waarde tussen 1 (zeer weinig uv-straling) en 8 (maximale hoeveelheid uv-straling). Heet ook uv-index.