
DUITS LEREN - 84 woordjes
Quiz by Lisette van den Herik
Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
hebben
zijn
(er)uitzien
wonen
kunnen
blijven
sporten
fietsen
lezen
leuk vinden
snoepen
drinken
doen
tanden poetsen
op vakantie gaan
willen
heten
kennen
iets willen worden
komen
gitaar spelen
afspreken
zwemmen
zingen
spelen
voetballen
gamen
dansen
gaan
de familie
de ouders
de moeder
de vader
de broers en zussen
de broer
de zus
de vriend
de vriendin
het humeur
de naam
de geboortedatum
de lengte
de kleur
het haar
het jaar
het oog
het eten
de film
het land van herkomst
de straat
de plaats
de hobby
het dier
de sapÂ
het uitstapje
aardig
groot
klein
oud
mooi, knap
vriendelijk
heel ergÂ
bijzonder
lang
niet
graag
meestal
op tijd
saai
belangrijk
grappig
elf
twaalf
dertien
ikÂ
jij, je
hijÂ
zij, ze
het
wij
jullie
zij
u
mijnÂ