Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
Give this quiz to my class
Q 1/184
Score 0
Stoffen die ontstaan in een werkende spier.
30
Afvalstoffen
Q 2/184
Score 0
Deze spier trekt de botten van je bovenarm en je onderarm naar elkaar toe: je arm buigt
30
Armbuigspier
184 questions
Q.
Stoffen die ontstaan in een werkende spier.
1
30 sec
Q.
Deze spier trekt de botten van je bovenarm en je onderarm naar elkaar toe: je arm buigt
2
30 sec
Q.
Deze spier trekt de botten van je bovenarm en je onderarm van elkaar af: je arm strekt
3
30 sec
Q.
Bestaat uit beencellen met daartussen een tussencelstof met veel kalk en een beetje lijmstof
4
30 sec
Q.
Cellen in de botten die een harde tussencelstof maken: ze groeien in ringen.
5
30 sec
Q.
Zit om het bot heen, hierin zitten bloedvaten die het bot in groeien
6
30 sec
Q.
Deel van het skelet dat onder andere bestaat uit de twee heupbeenderen en het heiligbeen.
7
30 sec
Q.
Voorkomen blessures, bijvoorbeeld een helm of kniebeschermers.
8
30 sec
Q.
Beschadiging aan een bot, spier of gewricht.
9
30 sec
Q.
Borstbeen, ribben en borstwervels; beschermt het hart en de longen.
10
30 sec
Q.
Blessure aan een bot; een breuk in een bot.
11
30 sec
Q.
Spieren waarmee je een lichaamsdeel buigt.
12
30 sec
Q.
Rustige oefeningen na afloop van een sporttraining of sportwedstrijd, waardoor afvalstoffen uit spieren worden afgevoerd. Zo voorkom je spierpijn.
13
30 sec
Q.
Speciale vorm van de wervelkolom, waardoor de wervelkolom schokken op kan vangen.
14
30 sec
Q.
Meest beweeglijke verbinding tussen botten.
15
30 sec
Q.
Houden de botten in een gewricht bij elkaar bij een gewricht dat zwaar belast wordt.
16
30 sec
Q.
Taai vlies dat om een gewricht ligt; het beschermt de botten en houdt ze bij elkaar; het maakt gewrichtssmeer.
17
30 sec
Q.
Deel van een gewricht dat in de gewrichtskom past.
18
30 sec
Q.
Deel van een gewricht waarin de gewrichtsknobbel draait.
19
30 sec
Q.
Laagje smeer dat het gewricht soepel laat bewegen; wordt gemaakt door het gewrichtskapsel.
20
30 sec
Q.
Pijn in je rug doordat er kraakbeenschijven uitpuilen of stuk zijn. De zenuwen raken dan bekneld.
21
30 sec
Q.
Omwikkelen van gewrichten met linnen plakband waardoor je gewrichtsblessures voorkomt.
22
30 sec
Q.
Harde stof in botten; maakt botten stevig.
23
30 sec
Q.
Meest beweeglijke gewricht, met een ronde knobbel; kan alle kanten op bewegen, bijvoorbeeld het schoudergewricht.
24
30 sec
Q.
Bestaat uit kraakbeencellen met daartussen een tussencelstof met veel lijmstof, zit op de uiteinde van de botten
25
30 sec
Q.
Cellen in het kraakbeen die geen geleiachtige buigzame tussencelstof maken; liggen in groepjes.
26
30 sec
Q.
Schijven van kraakbeen tussen de wervels in de wervelkolom; maken de wervelkolom veerkrachtig.
27
30 sec
Q.
Armen en benen.
28
30 sec
Q.
Manier waarop je zit, staat en beweegt
29
30 sec
Q.
Stof die zorgt voor de buigzaamheid van botten.
30
30 sec
Q.
Onbeweeglijke beenverbinding; botten zitten met naden aan elkaar vast, zoals de botten van je schedel.
31
30 sec
Q.
Blessure aan een gewricht: de gewrichtsknobbel is uit de kom geschoten.
32
30 sec
Q.
Het te lang achter elkaar of te zwaar gebruiken van spieren en gewrichten, hierdoor kunnen blessures ontstaan
33
30 sec
Q.
Taaie banden waarmee de spieren aan de botten vastzitten.
34
30 sec
Q.
Gewricht waarin twee botten om elkaar heen rollen; het spaakbeen rolt om de ellepijp.
35
30 sec
Q.
Gewricht dat meer in één richting heen en weer kan bewegen, bijvoorbeeld het kniegewricht.
36
30 sec
Q.
De botten in je hoofd.
37
30 sec
Q.
Alle botten samen; de functies zijn: stevigheid en vorm geven, kwetsbare organen beschermen en beweging mogelijk maken.
38
30 sec
Q.
Blessure aan een spier; spier trekt plotseling krachtig samen.
39
30 sec
Q.
Pijn doordat er veel afvalstoffen in een spier zijn achtergebleven.
40
30 sec
Q.
Blessure aan een spier; er zit een scheurtje in de vliezen binnenin een spier.
41
30 sec
Q.
Spieren waarmee je een lichaamsdeel strekt.
42
30 sec
Q.
Onbeweeglijke beenverbinding; de botten zitten als één geheel aan elkaar, zoals het heiligbeen.
43
30 sec
Q.
Blessure aan een gewricht: de gewrichtsbanden en/of het gewrichtskapsel zijn te veel uitgerekt of ingescheurd.
44
30 sec
Q.
Oefeningen waarbij de spieren worden voorbereid op een sportprestatie; de spieren raken goed doorbloed.
45
30 sec
Q.
Geheel van wervels en kraakbeenschijven; heeft een dubbele S-vorm. Alle gewervelde dieren hebben een wervelkolom
46
30 sec
Q.
Bij een botbreuk duwt een arts de botstukken precies tegen elkaar, daarna komt er gips om de botten.
47
30 sec
Q.
Plotselinge spierscheuring, bijvoorbeeld in de kuitspier.
48
30 sec
Q.
Bot, bestaat uit beencellen met daartussen een tussencelstof met veel kalk en weinig lijmstof
49
30 sec
Q.
Gewervelde dieren zoals kikkers en salamanders, die vooral in het water leven. Ze bewegen de wervelkolom heen en weer bij het zwemmen en kruipen.
50
30 sec
Q.
Bot, bestaat uit beencellen, met daartussen een tussencelstof met veel kalk en een beetje lijmstof
51
30 sec
Q.
De bloedvaatjes in de huid zijn beschadigd en daardoor ontstaat een blauwe plek
52
30 sec
Q.
manier waarop een skelet in elkaar zit
53
30 sec
Q.
beenmerg dat zich bevindt in de mergholte van pijpbeenderen, hierin zit vet opgeslagen.
54
30 sec
Q.
Dieren met een wervelkolom; vissen, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren
55
30 sec
Q.
Poten met twee tenen voor en twee tenen achter met scherpe nagels eraan, waarmee vogels in bomen klimmen.
56
30 sec
Q.
Blessure waarbij een spier en de huid beschadigd is
57
30 sec
Q.
groep van gewervelde dieren; hierbij horen onder andere hagedissen en slangen
58
30 sec
Q.
Lange poten met lange tenen, met een klein vlies ertussen zodat de vogels niet wegzakken in de modder
59
30 sec
Q.
Zoogdieren die op hun teenkootjes (tenen) lopen, bijv. honden en katten
60
30 sec
Q.
Zoogdieren die op de toppen van hun tenen lopen. Topgangers hebben hoeven om de toppen van hun tenen en heten ook wel hoefgangers, bijv. paarden en koeien
61
30 sec
Q.
Stof die de beencellen en kraakbeencellen maken den die tussen de cellen in zit
62
30 sec
Q.
Ander woord voor kraakbeenschijven, schijven van kraakbeen tussen de wervels
63
30 sec
Q.
Groep van gewervelde dieren die in het water leven, bewegen hun wervelkolom heen en weer bij het zwemmen
64
30 sec
Q.
Groep van gewervelde dieren die vliegen, de wervelkolom maakt golvende bewegingen op en neer
65
30 sec
Q.
Groep van gewervelde dieren waarbij de jongen uit de baarmoeder geboren worden, hebben de poten recht onder hun lichaam en kunnen vaak snel lopen
66
30 sec
Q.
Zoogdieren die op hun hele voet lopen, bijv. apen, beren en mensen
67
30 sec
Q.
Poten met vliezen tussen de tenen om goed te kunnen zwemmen
68
30 sec
Q.
Ronde beenderen, deze beenderen dienen vooral voor de stevigheid en houden je lichaam rechtop.
69
30 sec
Q.
Platte botten die kwetsbare organen beschermen
70
30 sec
Q.
Spieren die samenwerken aan een tegengestelde beweging, bijv. het buigen en strekken
71
30 sec
Q.
De armbuigspier
72
30 sec
Q.
Een dun laagje kraakbeencellen vlak onder de uiteinden van pijpbeenderen. Tot het eind van de puberteit groeien botten in de lengte vanuit de groeischijven.
73
30 sec
Q.
Beetje beweeglijke verbinding, waarbij botten door kraakbeen aan elkaar vast zitten
74
30 sec
Q.
bestaat uit groepjes kraakbeencellen met daartussen een geleiachtige tussencelstof
75
30 sec
Q.
Twee gewrichtsbanden binnenin het kniegewricht die elkaar kruisen
76
30 sec
Q.
Schijfje kraakbeen in het kniegewricht
77
30 sec
Q.
Een groepje spiervezels met een vlies erom heen. Een spier bestaat uit een aantal spier(vezel)bundels
78
30 sec
Q.
Taai vlies buiten om een spier. De spierschede is vergroeid met de pezen van de spier
79
30 sec
Q.
Lange, dunne spiercel waarin dikke en dunne draadjes zitten, die in elkaar schuiven wanneer die spier samentrekt.
80
30 sec
Q.
De armstrekspier
81
30 sec
Q.
Skelet aan de buitenkant van het lichaam
82
30 sec
Q.
Een gerafelde of gescheurde meniscus
83
30 sec
Q.
De botten in de wervelkolom
84
30 sec
Q.
Stof in drank waardoor je hersenen verdoofd worden. Door alcohol durf je meer, maar je coördinatie wordt slechter.
85
30 sec
Q.
Spierbewegingen die ontstaat door impulsen vanuit de grote hersenen.
86
30 sec
Q.
Als je merkt wat je precies waarneemt, bewustwording vindt plaats in de (grote) hersenen, als de impuls vanuit een zintuig daar is aangekomen
87
30 sec
Q.
Hormoonklieren bij de nieren die bij schrik of stress het hormoon adrenaline maken
88
30 sec
Q.
hersenen en ruggenmerg
89
30 sec
Q.
In de juiste volgorde samentrekken van spieren bij een beweging
90
30 sec
Q.
Stoffen die de hersenen beïnvloeden
91
30 sec
Q.
Hormoonklieren die het vrouwelijk geslachtshormoon maken, in de eierstokken rijpen vanaf de puberteit ook eicellen
92
30 sec
Q.
Hormoonklieren in de alvleesklier, maken de hormonen die het suikergehalte in je bloed regelen
93
30 sec
Q.
Orgaan bij het slakkenhuis van het oor. Bestaat uit evenwichtszintuigen, waarmee je bewegingen van je lichaam waarneemt.
94
30 sec
Q.
Hamer, aambeeld, stijgbeugel. Geven de trillingen van het trommelvlies door aan het slakkenhuis
95
30 sec
Q.
Holte waardoor geluidstrillingen van de oorschelp naar het trommelvlies gaan.
96
30 sec
Q.
Hierdoor gaan impulsen vanuit het slakkenhuis naar de (grote) hersenen
97
30 sec
Q.
Het slakkenhuis is het gehoorzintuig, met dat deel van je oor hoor je
98
30 sec
Q.
Soort gelvulling van de oogbol
99
30 sec
Q.
Hormoon dat de aanmaak van nieuwe cellen regelt
100
30 sec
Q.
Deel van de hersenen, waar onder andere de bewustwording plaatsvindt: je weet dan wat je waarneemt.
101
30 sec
Q.
buitenste laag van het oog; beschermt alles wat binnenin het oog ligt
102
30 sec
Q.
Verwerken binnenkomende impulsen en reageren, bestaan uit grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam.
103
30 sec
Q.
Deel van de hersenen tussen het ruggenmerg en de kleine hersenen, regelt de levensprocessen die onbewust (vanzelf) gaan, bijv. hartslag en ademhaling. De reflexen van je hoofd en hals gaan via de hersenstam.
104
30 sec
Q.
Doorzichtige deel van het harde oogvlies aan de voorkant van het oog, hier gaat het licht doorheen
105
30 sec
Q.
Regelstoffen die via het bloed verspreid worden en allerlei lichaamsprocessen regelen, bijv. je groei
106
30 sec
Q.
Organen die hormonen maken en ze afgeven aan het bloed.
107
30 sec
Q.
Belangrijke hormoonklier onder aan de hersenen, maakt groeihormoon en hormonen die de eierstokken en zaadballen aanzetten tot de productie van hormonen.
108
30 sec
Q.
Elektrische signalen die via je zenuwen naar je hersenen gaan en vanuit je hersenen naar je spieren. Ze ontstaan in je zintuigen uit prikkels.
109
30 sec
Q.
Gekleurde deel van het vaatvlies rondom de pupil.
110
30 sec
Q.
deel van de hersenen dat zorgt voor de coördinatie van spierbewegingen
111
30 sec
Q.
Huidzintuigen die gevoelig zijn voor de prikkel 'lage temperatuur'
112
30 sec
Q.
Zorgt voor een scherp beeld op het netvlies
113
30 sec
Q.
Het netvlies is het lichtzintuig, met dat deel van je oog zie je.
114
30 sec
Q.
Genezende stoffen die als bijwerking kunnen hebben dat je suf en traag wordt.
115
30 sec
Q.
Binnenste laag in het oog. Het netvlies (het lichtzintuig) vangt lichtprikkels op en zet ze om in impulsen, waardoor je kunt zien.
116
30 sec
Q.
Dingen in je lichaam die vanzelf gaan en waarbij je niet hoeft na te denken, zoals je hartslag en ademhaling.
117
30 sec
Q.
Snelle automatische reacties van spieren op een prikkel, zonder invloed van de hersenen. Ook wel reflexbewegingen of reflexen genoemd.
118
30 sec
Q.
Holtes in je schedel waarin je oogbollen liggen.
119
30 sec
Q.
Beschermen je ogen tegen stof en zweet
120
30 sec
Q.
Het oor aan de buitenkant je gezicht, hiermee vang je geluidstrillingen op.
121
30 sec
Q.
Hierdoor kun je de ogen alle kanten op bewegen
122
30 sec
Q.
Hierdoor gaan impulsen vanaf het netvlies (lichtzintuig) naar de (grote) hersenen.
123
30 sec
Q.
Zintuigen in de huid, waarmee je pijn waarneemt
124
30 sec
Q.
Informatie uit je omgeving waarop je kunt reageren
125
30 sec
Q.
Opening in de iris die bij weinig licht groter wordt en bij veel licht kleiner
126
30 sec
Q.
Groter en kleiner worden van de pupil. De pupilreflex gaat via de hersenstam.
127
30 sec
Q.
Iets doen na verwerking van impulsen uit de zintuigen.
128
30 sec
Q.
Vaste, snelle, onbewuste reactie op een prikkel. Veel reflexen beschermen het lichaam tegen beschadigingen.
129
30 sec
Q.
Ligt boven in je neusholte, bevat zintuigcellen die geurprikkels opvangen en omzetten in impulsen. Je proeft eten door de informatie van reukzintuigcellen en de smaakzintuigjes samen.
130
30 sec
Q.
Deel van het zenuwstelsel dat in de wervelkolom ligt, bestaat uit een dikke bundel zenuwen (uitlopers van zenuwcellen). Reflexen van je armen, benen en romp gaan via het ruggenmerg.
131
30 sec
Q.
Hormoonklier in de hals dat schildklierhormoon maakt.
132
30 sec
Q.
Hierin zitten de zintuigcellen met haartjes die geluidstrillingen omzetten in impulsen.
133
30 sec
Q.
Zintuigjes in je tong waarmee je zoet, zout, zuur, bitter en umami waarneemt. Voor elke smaak is er één soort smaakzintuig.
134
30 sec
Q.
Organen die je botten laten bewegen. Hiermee reageer je vaak op impulsen uit de zintuigen.
135
30 sec
Q.
Huidzintuigen die gevoelig zijn voor de prikkel 'hoe voelt een voorwerp aan'.
136
30 sec
Q.
Ander woord voor zaadballen
137
30 sec
Q.
Hierdoor stroomt traanvocht met vuil vanuit je ogen nar je neus
138
30 sec
Q.
Dun 'vel' aan het einde van de gehoorgang dat de geluidstrillingen doorgeeft aan de gehoorbeentjes.
139
30 sec
Q.
Zitten aan zenuwcellen. Hierlangs gaan impulsen.
140
30 sec
Q.
Middelste laag van het oog, met veel bloedvaatjes erin.
141
30 sec
Q.
Met je zintuigen prikkels opvangen en die verwerken in de hersenen. Pas als impulsen in de (grote) hersenen zijn verwerkt, weet je wat je waarneemt.
142
30 sec
Q.
Huidzintuigen die gevoelig zijn voor de prikkel 'hogere temperatuur'.
143
30 sec
Q.
beschermen je ogen tegen stof en zweet
144
30 sec
Q.
haren aan de oogleden, die je ogen tegen stof en zweet beschermen
145
30 sec
Q.
Hormoonklieren die het mannelijk geslachtshormoon maken, vanaf de puberteit ook zaadcellen.
146
30 sec
Q.
Cellen in je zenuwstelsel die bestaan uit een cellichaam en korte en lange uitlopers voor het geleiden van impulsen.
147
30 sec
Q.
Een soort dunne draden in je lichaam, waarlangs impulsen gaan. Het zijn de lange uitlopers van zenuwcellen.
148
30 sec
Q.
Bestaat uit hersenen en ruggenmerg (centraal zenuwstelsel) en zenuwen.
149
30 sec
Q.
(delen van) organen die prikkels opvangen en omzetten in impulsen
150
30 sec
Q.
Platter en boller maken van de ooglens
151
30 sec
Q.
Kringspier om de ooglens, die de lens boller en platter kan maken
152
30 sec
Q.
De soort prikkel waarvoor een bepaald zintuig gevoelig is
153
30 sec
Q.
Hormoon uit de bijnieren wat ervoor zorgt dat bij spannende situaties er meer glucose in het bloed komt.
154
30 sec
Q.
Zenuwcellen die impulsen geleiden vanaf het centraal zenuwstelsel naar spieren en klieren
155
30 sec
Q.
Zenuwen die alleen uit uitlopers van bewegingszenuwcellen bestaan
156
30 sec
Q.
plaats waar de oogzenuw aan de oogbol zit; hier zit geen netvlies
157
30 sec
Q.
buis die trommelholte en keelholte met elkaar verbindt. Regelt dat de luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies gelijk is
158
30 sec
Q.
Minimale prikkelsterkte waarbij zintuigen van de prikkel impulsen maken. Te zwakke prikkels neem je dus niet waar.
159
30 sec
Q.
Deel van de grote hersenen waarmee je informatie zoals woorden, kleuren, geuren en bewegingen onthoudt.
160
30 sec
Q.
Ontstaat als reactie op inwendige en uitwendige prikkels. Alles wat je doet is gedrag.
161
30 sec
Q.
deel van het netvlies met de meeste lichtgevoelige zintuigjes (kegeltjes); met dat deel zie je het best
162
30 sec
Q.
Zenuwen die uit uitlopers van gevoelszenuwcellen en uit uitlopers van bewegingszenuwcellen bestaan
163
30 sec
Q.
Zenuwcellen die impulsen geleiden vanaf zintuigen naar het centraal zenuwstelsel
164
30 sec
Q.
Zenuwen die alleen uit uitlopers van gevoelszenuwcellen bestaan
165
30 sec
Q.
Wanneer een prikkel enige tijd aanhoudt, ontstaan in de zintuigcellen minder impulsen. Daardoor wordt een prikkel niet meer doorgegeven.
166
30 sec
Q.
Hormoon uit de eilandjes van Langerhans (alvleesklier) dat samen met het hormoon insuline de hoeveelheid glucose in het bloed regelt.
167
30 sec
Q.
deel van de hersenschors van de grote hersenen waar bewustwording van waarnemingen plaatsvindt of waar bewuste bewegingen ontstaan
168
30 sec
Q.
sterk geplooide buitenkant van de grote hersenen
169
30 sec
Q.
Hormoon uit de eilandjes van Langerhans (alvleesklier) dat samen met het hormoon glucagon de hoeveelheid glucose in het bloed regelt
170
30 sec
Q.
Prikkel vanuit het lichaam van een mens of dier
171
30 sec
Q.
zintuigjes in het netvlies voor het zien van kleuren; er zijn drie typen: voor rood licht, voor blauw licht en voor groen licht
172
30 sec
Q.
Reflex die zorgt dat je niet omvalt als je dijspier onverwacht wordt uitgerekt
173
30 sec
Q.
Soort bandjes waarmee de ooglens in de accommodatiespier (kringspier) hangt. Zijn ze plat dan is de lens plat, hangen ze slap dan is de lens bol
174
30 sec
Q.
Ander woord voor trommelholte
175
30 sec
Q.
Hoe aandachtig je je op een prikkel concentreert. Hoe hoger de motivatie om een prikkel waar te nemen, hoe beter je hersenen die prikkel verwerken.
176
30 sec
Q.
Vrouwelijk geslachtshormoon uit de eierstokken, regelt bij vrouwen de verandering van het lichaam in de puberteit.
177
30 sec
Q.
Zenuwcellen die impulsen van de ene zenuwcel naar de andere zenuwcel geleiden en geheel in het centraal zenuwstelsel liggen
178
30 sec
Q.
Hormoon dat de snelheid van de verbranding van glucose in het lichaam regelt
179
30 sec
Q.
zintuigcellen in het netvlies die 's avonds en 's nachts bij weinig licht werken en waarmee je zwart, wit en grijstinten ziet
180
30 sec
Q.
Het snel terugtrekken van je hand of voet als reactie op een pijnprikkel
181
30 sec
Q.
Mannelijk geslachtshormoon uit de zaadballen, regelt bij mannen de verandering van het lichaam in de puberteit
182
30 sec
Q.
Het middenoor, holte achter het trommelvlies, waar de gehoorbeentjes liggen en waar de buis van Eustachius in uitkomt
183
30 sec
Q.
prikkel die van buiten het lichaam van een dier of mens komt, dus vanuit de omgeving