
Paragraaf 2.2: winst = winst
Quiz by Avithal Veerman
Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
Welke afkorting hoort bij welk begrip?
Plaats de kosten in de juiste categorie
Een ondernemer heeft €800,- aan vaste kosten. De variabele kosten bedragen €5 per stuk. Hij produceert 20 stuks. Wat is de kostprijs per product?
Bakker Verdiest bakt en verkoopt dagelijks 400 broden met een verkoopprijs van €2 per brood. De variabele kosten zijn €0,22 per brood. De vaste kosten zijn €140 per dag.
Wat is de juiste functie van de totale kosten van bakker Verdiest? (Q = aantal geproduceerde broden)
Wat is het doel van een ondernemer?
In welke richting verschuift de vraaglijn van pretparkkaartjes?
Welke prijs hoort bij een gevraagde hoeveelheid van 0? Vraaglijn: Qv = -200P + 800
Hoeveel kaartjes worden gevraagd bij een prijs van €35? Vraaglijn: Qv = -100P + 24.000