
Proeftoetsje Spelling §10-11-12-13
Quiz by Westhiner
Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
(t.t.) Morgen ______ (worden) er een belangrijke beslissing genomen.
(t.t.) De kat______ (vinden) altijd de warmste plek in huis.
(t.t.) Zij ______ (antwoorden) nooit op moeilijke vragen.
(t.t.) Het kind ______ (houden) zijn adem in tijdens het spel.
(t.t.) Mijn broer ______ (veranderen) snel van mening.
(v.t.) Gisteren ______ (blijken) dat hij de waarheid sprak.
(v.t.) De kinderen ______ (verstoppen) zich toen het begon te regenen.
(v.t.) Hij______ (denken) dat alles al geregeld was.
(v.t.) De oude vrouw ______ (bieden) haar hulp zonder aarzelen aan.
(v.t.) Wij ______ (zoeken) urenlang naar de vermiste sleutels.
(v.d.) Er is iets vreemds ______ (gebeuren) in de nacht.
(v.d.)Hij is erg boos ______ (worden) na het nieuws.
(v.d.) Zij heeft dat expres ______ (doen) zonder iets te zeggen.
(v.d.) De fout is snel ______ (ontdekken) door de docent.
(v.d.) Hij heeft zich altijd netjes ______ (gedragen).
(onr.) Gisteren ______ (hebben, vt) hij en zijn broer ruzie over het spel.
(onr.) Nooit eerder ______ (zijn, vt) ik zo verrast door dat nieuws.
(onr.) Morgen ______ (zullen, tt) wij waarschijnlijk te laat arriveren.
(onr.) Waarom ______ (kunnen, tt) hij dat nog steeds niet uitleggen?
(onr.)Â Toen hij jonger was, ______ (willen, vt) hij astronaut worden.