
Phrasal verbs (Stepping Stones) MC
Quiz by nnaeem
Tag the questions with any skills you have. Your dashboard will track each student's mastery of each skill.
Maak de phrasal verb af:
be ..... (gek zijn op)
Maak de phrasal verb af:
be ..... (goed zijn in)
Maak de phrasal verb af:
be ..... (geïnteresseerd zijn in)
(Schrijf be ook op)
Maak de phrasal verb af:
be ..... (enthousiast zijn over)
(Schrijf be ook op)
Maak de phrasal verb af:
be ..... (trots zijn op)
(Schrijf be ook op)
Maak de phrasal verb af:
bring ..... (meebrengen)
(Schrijf bring ook op)
Maak de phrasal verb af:
bring ..... (binnenbrengen/ opleveren)
(Schrijf bring ook op)
Maak de phrasal verb af:
bring ..... (grootbrengen)
(Schrijf bring ook op)
Maak de phrasal verb af:
carry ..... (uitvoeren)
(Schrijf carry ook op)
Maak de phrasal verb af:
cut ..... (bezuinigen)
(Schrijf cut ook op)
Maak de phrasal verb af:
cut ..... (terugbrengen in hoeveelheid/ vellen )
(Schrijf cut ook op)
Maak de phrasal verb af:
cut ..... (afsnijden/ onderbreken)
(Schrijf cut ook op)
Maak de phrasal verb af:
cut ..... (uitknippen)
(Schrijf cut ook op)
Maak de phrasal verb af:
feel ..... (voelen als/ zin hebben om)
(Schrijf feel ook op)
Maak de phrasal verb af:
get ..... (uitstappen)
(Schrijf get ook op)
Maak de phrasal verb af:
get ..... (instappen)
(Schrijf get ook op)
Maak de phrasal verb af:
get ..... (mogen)
(Schrijf get ook op)
Maak de phrasal verb af:
get ..... (opstaan)
(Schrijf get ook op)
Maak de phrasal verb af:
give ..... (weggeven)
(Schrijf give ook op)
Maak de phrasal verb af:
give ..... (teruggeven)
(Schrijf give ook op)
Maak de phrasal verb af:
hand ..... (teruggeven)
(Schrijf hand ook op)
Maak de phrasal verb af:
hand ..... (uitdelen)
(Schrijf hand ook op)
Maak de phrasal verb af:
hand ..... (overhandigen)
(Schrijf hand ook op)
Maak de phrasal verb af:
hand ..... (rondgeven)
(Schrijf hand ook op)
Maak de phrasal verb af:
leave ..... (achterlaten)
(Schrijf leave ook op)
Maak de phrasal verb af:
leave ..... (weglaten)
(Schrijf leave ook op)
Maak de phrasal verb af:
let ..... (binnenlaten)
(Schrijf let ook op)
Maak de phrasal verb af:
lie ..... (gaan liggen)
(Schrijf lie ook op)
Maak de phrasal verb af:
look ..... (kijken naar)
(Schrijf look ook op)
Maak de phrasal verb af:
look ..... (zoeken naar)
(Schrijf look ook op)
Maak de phrasal verb af:
look ..... (lijken op)
(Schrijf look ook op)
Maak de phrasal verb af:
pick ..... (oppakken)
(Schrijf pick ook op)
Maak de phrasal verb af:
point ..... (wijzen naar)
(Schrijf point ook op)
Maak de phrasal verb af:
push ..... (rondduwen)
(Schrijf push ook op)
Maak de phrasal verb af:
push ..... (omstoten)
(Schrijf push ook op)
Maak de phrasal verb af:
put ..... (wegdoen)
(Schrijf put ook op)
Maak de phrasal verb af:
put ..... (neerleggen)
(Schrijf put ook op)
Maak de phrasal verb af:
put ..... (aandoen)
(Schrijf put ook op)
Maak de phrasal verb af:
put ..... (doorverbinden, iemand iets aandoen)
(Schrijf put ook op)
Maak de phrasal verb af:
put ..... (inelkaar zetten)
(Schrijf put ook op)
Maak de phrasal verb af:
read ..... (voorlezen)
(Schrijf read ook op)
Maak de phrasal verb af:
set ..... (terug zetten)
(Schrijf set ook op)
Maak de phrasal verb af:
set ..... (neerleggen)
(Schrijf set ook op)
Maak de phrasal verb af:
shut ..... (uitzetten)
(Schrijf shut ook op)
Maak de phrasal verb af:
sit ..... (gaan zitten)
(Schrijf sit ook op)
Maak de phrasal verb af:
sound ..... (klinkt als)
(Schrijf sound ook op)
Maak de phrasal verb af:
stand ..... (opstaan)
(Schrijf stand ook op)
Maak de phrasal verb af:
take ..... (terugnemen)
(Schrijf take ook op)
Maak de phrasal verb af:
take ..... (innemen, begrijpen)
(Schrijf take ook op)
Maak de phrasal verb af:
take ..... (uitdoen (kleding))
(Schrijf take ook op)
Maak de phrasal verb af:
take ..... (aanvaarden, beginnen)
(Schrijf take ook op)
Maak de phrasal verb af:
take ..... (overnemen)
(Schrijf take ook op)
Maak de phrasal verb af:
taste ..... (smaakt als)
(Schrijf taste ook op)
Maak de phrasal verb af:
think ..... (nadenken over)
(Schrijf think ook op)
Maak de phrasal verb af:
think ..... (nadenken over)
(Schrijf think ook op)
Maak de phrasal verb af:
turn ..... (uitdoen)
(Schrijf turn ook op)
Maak de phrasal verb af:
turn ..... (aandoen (zoals licht))
(Schrijf turn ook op)
Maak de phrasal verb af:
switch ..... (uitdoen (zoals licht))
(Schrijf switch ook op)
Maak de phrasal verb af:
switch ..... (aandoen (zoals licht))
(Schrijf switch ook op)